

|
Een terugblik naar de negentiende eeuw... |
|
600 jaar houtsneden en houtgravures
Hoofdstuk 1 : De beeldrevolutie Dick van Lente
Mensen in westerse samenlevingen zien dagelijks afbeeldingen van allerlei soort: wervende voorstellingen op affiches, op trams en bussen, op verpakkingen en stickers; illustraties in boeken en tijdschriften; krantenfoto’s, en de beelden van televisie, de bioscoop en het internet. We worden voortdurend geconfronteerd met een caleidoscopisch mengsel van beelden. Je hoort vaak dat de tegenwoordige media steeds meer beheerst worden door het beeld, terwijl vroeger het gedrukte woord domineerde. In de negentiende eeuw, zo luidt de redenering, leidde de uitbreiding van het lager onderwijs tot alfabetisering van de gehele bevolking en daarmee tot een enorme uitbreiding van de leescultuur, terwijl in de twintigste eeuw de audiovisuele media hun opmars begonnen. Radio, film, televisie en het internet verdringen langzamerhand het gedrukte woord. Dit boek maakt duidelijk dat dit een misvatting is. De grote verbreiding van het gedrukte woord, vanaf ongeveer 1800, is gelijk opgegaan met die van het gedrukte beeld. Beide hebben hun wortels in een spectaculaire ontwikkeling van de grafische techniek, die begon aan het eind van de achttiende eeuw.
Drukwerk tot ongeveer 1800
Tot rond 1800 waren illustraties in boeken, en meer nog in tijdschriften, een uitzondering. In bepaalde geleerde werken, over de anatomie van planten en dieren bijvoorbeeld, waren ze onmisbaar. Reisbeschrijvingen, die erg populair werden aan het eind van de achttiende eeuw, waren vaak van een paar afbeeldingen voorzien. Historische werken, romans en werkjes voor kinderen tooide men soms ook met een enkel plaatje. Voor verreweg de meeste van deze prenten werd de zogenoemde lijnetstechniek gebruikt. Men bedekte een koperplaat met een zuurbestendige laag en maakte hierin met een naald een tekening. Overal waar die naald kwam, werd het koper blootgelegd. Vervolgens legde men de plaat in een zuurbad. Op de lijnen die de etsnaald had getrokken, beet het zuur het koper weg, zodat de tekening verdiept in de plaat kwam te staan (men spreekt daarom van diepdruk). Daarna werd de plaat schoongemaakt en werd inkt in de groeven gewreven. Op de plaat legde men een bevochtigd vel papier en dekte dit af met een laag vilt. Vervolgens werd het geheel onder hoge druk door de plaatpers (een soort mangel) gehaald. Het papier werd daardoor in de groeven geperst en nam de daar aanwezige inkt op. Dit was een voortreffelijke techniek voor het vermenigvuldigen van lijntekeningen. Een nadeel van de diepdruktechniek voor afbeeldingen was dat deze niet op dezelfde pers als de tekst konden worden gedrukt. De tekst werd immers met behulp van lettervormen gedrukt, en dat was een hoogdruktechniek: de inkt werd niet aangebracht in groeven, maar juist op de verheven delen van de vorm, zoals bij een stempel. Geïllustreerde boeken en tijdschriften waren daarom betrekkelijk duur. Dat werd in deze periode echter niet als een probleem gezien, omdat het publiek dat boeken kocht bestond uit de maatschappelijke bovenlaag: hooguit enkele procenten van de volwassen bevolking. Pas toen er een minder koopkrachtig lezerspubliek opkwam, werd het vinden van goedkopere vormen van illustratie urgent. Niet dat de 'gewone mensen' vóór 1800 geen gedrukte plaatjes onder ogen kregen. Er was een levendige handel in goedkoop en grof uitgevoerd drukwerk, zoals almanakken, kinderprenten en 'vliegende blaadjes', vaak voorzien van één of meer ruwe afbeeldingen. Die afbeeldingen waren in de regel vervaardigd in een eenvoudiger techniek dan de ets, namelijk de houtsnede. Dat was een hoogdruktechniek (in wezen een stempel, gesneden uit een blok hout), met als voordeel dat deze prenten samen met een gezette tekst konden worden gedrukt. Daardoor was het mogelijk om ze goedkoop en op grote schaal te maken.
Innovaties vanaf ongeveer 1800
Afgezien van de ontwikkeling van toonetstechnieken en een paar kleine verbeteringen aan de boekdrukpers van Gutenberg, veranderde er tot het einde van de achttiende eeuw niet zo veel in de druktechniek. Vanaf ongeveer 1800 kwam het drukkersvak echter in een ongelofelijke stroomversnelling terecht. Er werd een hele reeks nieuwe technieken ingevoerd, die de grafische bedrijfstak én het aanzien van drukwerk volledig veranderde. In de boekdrukkerij werden eerst handpersen van ijzer, daarna snelpersen ingevoerd. Die laatste berustten op een volkomen nieuw principe, dat van drukken met cilinders. Op die cilinders werd aanvankelijk alleen het papier, later ook het zetsel bevestigd. Het drukken werd nu een continue, roterende beweging, waardoor een veel grotere productiviteit mogelijk was dan met de alternerende beweging van Gutenbergs pers. Bovendien kon een snelpers worden aangedreven door een stoommachine, wat de productiviteit nog verder opvoerde. Van meer belang voor de illustratietechniek was de uitvinding van de lithografie in 1798, een geheel nieuwe methode van drukvormvervaardiging en drukken, waarbij de inkt noch op een verhoogde vorm, noch in de groeven van een plaat, maar op een vlakke steen werd aangebracht. Een revolutionaire vinding van wat latere datum was de fotografie, die in de tweede helft van de negentiende eeuw een vast onderdeel werd van iedere commerciële druktechniek. Verder werden er nieuwe methoden ontwikkeld om hoogdrukvormen en afgietsels daarvan te maken. Kleurendruk, een grote zeldzaamheid vóór 1800, werd vooral na 1850 steeds vaker toegepast, met name in de lithografie. Dat was mede te danken aan de ontwikkeling van een grote verscheidenheid aan nieuwe pigmenten vanaf het einde van de achttiende eeuw.
Technische vernieuwing en maatschappelijke verandering
Vanwaar deze explosie van technische creativiteit? Waarschijnlijk moeten we de verklaring vooral zoeken in de groei van de markt voor drukwerk. De bevolking van West‑Europa nam vanaf het midden van de achttiende eeuw aanzienlijk toe. Natuurlijk waren dat niet even zoveel lezers, laat staan kopers, van boeken. Maar van die toegenomen bevolking ging een steeds groter aandeel boeken, kranten en ander drukwerk kopen. Dat valt onder meer op te maken uit de toename van het aantal drukkerijen. Die expansie van het lezende publiek werd onder meer in de hand gewerkt door de grote sociaal‑politieke omwentelingen die begonnen met de Franse Revolutie. Tussen 1789 en de revolutie van 1848 verkeerden West-Europese samenlevingen in een staat van voortdurende onrust, die een enorme politieke mobilisatie teweegbracht: gebeurtenissen op landelijk en internationaal niveau gingen een grotere rol spelen in het dagelijks leven van steeds meer mensen. Men voelde zich sterker dan voorheen betrokken bij gebeurtenissen zoals oorlogen en revoluties. De 'ervaringshorizon' was niet meer beperkt tot het eigen dorp, de eigen streek. Discussies over deze zaken werden gevoerd in kranten en met pamfletten. Wie wilde meepraten, was dus gedwongen zich een elementaire leesvaardigheid eigen te maken. Die verspreiding van informatie via het gedrukte woord was een zichzelf versterkend proces: pamfletten, kranten en boeken openden voor de nieuwe lezers een wereld waarover zij meer wilden weten, en daarvoor waren zij aangewezen op nog meer pamfletten, kranten en boeken. Het leren lezen gebeurde onder meer op de lagere school. De uitbreiding van dit onderwijs is dan ook een tweede oorzaak van de groei van het lezende publiek. Alfabetisering is een complex en geleidelijk proces. De statistieken suggereren dat mensen óf wel óf niet konden lezen. In feite waren er in de negentiende eeuw veel 'halfabeten', mensen die een poosje op school hadden gezeten, waar ze het alfabet en een beetje lezen hadden geleerd. Wat er na het verlaten van school van die vaardigheid overbleef, hing helemaal af van het gebruik dat men ervan maakte. En dat was weer afhankelijk van hoe belangrijk het lezen voor iemand was en van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het gedrukte woord. Over de toegenomen belangstelling is al een en ander gezegd. Wat de beschikbaarheid betreft: voor arbeiders bleven boeken en tijdschriften gedurende de hele negentiende eeuw te duur. Een deel van hen maakte gebruik van bibliotheken die aan boekenwinkels verbonden waren - een verschijnsel dat sterk toenam in de eerste helft van de negentiende eeuw - en kocht tweedehands boeken. Daarover is echter maar weinig bekend. Tegen het eind van de negentiende eeuw kwamen ook kranten meer binnen het bereik van de arbeidersklasse. De groei van de markt voor drukwerk zat echter vooral in de burgerij ‑ van de deftige koopmansfamilies, die méér boeken en tijdschriften gingen kopen, tot de nieuwe lezers: de ambachtslieden en winkeliers en, waarschijnlijk wat later, de boeren. Vanaf ongeveer 1830 ging een toenemend aantal uitgevers zich mee op deze nieuwe groepen richten. En juist in de boeken en tijdschriften die voor dit publiek werden gemaakt, speelden illustraties een grote rol. Goedkope bladen, die in de jaren dertig op de markt verschenen, waren uitbundig geïllustreerd met behulp van een nieuwe techniek, de houtgravure. Dat was een verbeterde versie van de houtsnede, waarmee het gewone volk al eeuwenlang vertrouwd was. Via dit type geïllustreerd drukwerk werd een half gealfabetiseerde bevolking in de schriftcultuur ingevoerd. Veel van dit nieuwe geïllustreerde drukwerk had een uitgesproken opvoedkundig karakter: de lezers werden getrakteerd op afbeeldingen van verre volken en steden, dieren en planten, en op de laatste ontwikkelingen in wetenschap en techniek. De West-Europese bourgeoisie, die in de negentiende eeuw in toenemende mate de politieke macht in handen kreeg, en die altijd al de wereld van de uitgeverij had beheerst, was geobsedeerd door de idee van de verspreiding van kennis. Zij meende dat maatschappelijke problemen vooral te wijten waren aan onwetendheid en vooroordelen. Verbreiding van moderne, wetenschappelijke kennis was haar antwoord op de problemen van armoede en revolutionaire onrust. De groei van de markt betekende niet alleen massificatie, maar ook diversificatie. Behalve met het elitaire lezerspubliek had men te maken met lezers uit andere lagen van de bevolking, die behoefte hadden aan heel verschillende soorten drukwerk. Zo was er een enorm toenemende vraag naar schoolboeken, waarvan sommige, zoals schoolatlassen en uitgaven over biologie, het moeilijk zonder afbeeldingen konden stellen. Er verschenen jeugdtijdschriften, vrouwentijdschriften en vakbladen van allerlei soort en in verschillende prijsklassen. Het reizen met de trein (vanaf de jaren 1840) schiep een vraag naar lichte lectuur voor onderweg, liefst geïllustreerd. Ook de industrialisering bracht een grote vraag naar allerlei soorten drukwerk met zich mee. Fabrikanten hadden een grote, soms internationale markt nodig voor de afzet van nieuwe massaproducten zoals zeep, voedingsmiddelen en kleding. Reclame in kranten en tijdschriften, liefst voorzien van een wervend plaatje, werd hét middel daartoe. Het toenemende handelsverkeer schiep een grote vraag naar onvervalsbaar papiergeld en andere waardepapieren. De groei van de markt voor drukwerk, en daarmee van de grafische bedrijfstak, werd in de hand gewerkt door nog meer factoren, zoals de verbetering van de transport‑ en communicatiemiddelen (met name de spoorwegen en posterijen) en nieuwe vormen van verlichting, waardoor mensen ‘s avonds gemakkelijker konden lezen. Dat er in de negentiende eeuw zo'n grote verscheidenheid aan nieuwe druktechnieken ontstond, kwam doordat men in al die specifieke behoeften wilde voorzien. De lithografie werd de belangrijkste methode voor de productie van briefhoofden, etiketten en aardrijkskundige kaarten, waarbij vaak in meerdere kleuren werd gewerkt. De staalgravure werd gebruikt voor de illustraties van luxe boeken, maar kreeg tevens belangrijke impulsen door de vraag naar papiergeld, waarvoor een uiterst verfijnde tekening en een grote slijtvastheid van de vorm vereist waren. Net als de vraag naar informatie was de ontwikkeling van de techniek na de industriële revolutie een zichzelf versterkend proces. Vernieuwingen op het ene gebied lokten innovaties op het andere uit. Nieuwe technieken werden besproken in publiekstijdschriften en vakbladen, en trots getoond op de wereldtentoonstellingen die vanaf 1851 werden gehouden. Er ontstond een klimaat dat prikkelde tot het zoeken naar nieuwe methoden. Zo was de mechanisering van de boekdruk, waardoor teksten veel sneller konden worden vermenigvuldigd, een krachtige stimulans om ook bij de vervaardiging van illustraties de kunstenaar en ambachtsman te vervangen door machines. Aan het eind van de negentiende eeuw was men daarin vrijwel volledig geslaagd, met name door de invoering van de zogenaamde fotomechanische procedés, dat wil zeggen methoden waarmee fotografische beelden zonder tussenkomst van een graveur konden worden omgezet in een drukvorm.
De triomf van de mechanisatie en herontdekking van het drukkershandwerk rond 1900
Met de verdringing van het handwerk door fotomechanische procedés was de eerste fase van de beeldrevolutie voltooid. Het resultaat was een alomtegenwoordigheid van beeldmateriaal, in een hoeveelheid en verscheidenheid die men honderd jaar tevoren niet voor mogelijk zou hebben gehouden. Afbeeldingen verschenen in talloze geïllustreerde tijdschriften, in een stortvloed van reclamedrukwerk, op affiches, verpakkingen van merkartikelen, koekblikken, ansichtkaarten, enzovoort. Het bombardement van beelden waaraan de moderne mens dagelijks wordt onderworpen heeft hier zijn wortels. Maar de beeldrevolutie was daarmee niet voltooid: het bleek een permanente revolutie, met als twintigste‑eeuwse hoogtepunten de invoering van bewegende beelden in film en op televisie. Ook daaraan ligt de fotografie ten grondslag.
|
|
JAARTHEMA : BRANDBAAR BEELD pagina 1 |



|
Houtsneden maakten het drukwerk goedkoper dan kopergravures. Zowel letters als illustraties kunnen immers tegelijkertijd afgedrukt worden. |
|
Al vanaf het begin van de zestiende eeuw drukte men volksboeken. Deze werden sporadisch voorzien van houtsneden. Veelal enkel op de titelpagina, soms ook doorheen de tekst. Titelillustratie voor het volksboek “Mariken van Nieumeghen”. Vermoedelijk zeventiende-eeuwse houtsnede. |
|
Het jaarthema van de Historische Drukkerij Turnhout is ‘Brandbaar Beeld, 600 jaar houtsneden en houtgravures’. Klik hier voor de openingsweekends. Het boekje bij deze tentoonstelling met 80 foto’s en afbeeldingen is verkrijgbaar in de Historische Drukkerij. |
|
In Europa is de houtsnijkunst in de veertiende eeuw ontwikkeld. Nog voor de uitvinding van de losse letterdruk werden boeken gedrukt aan de hand van houten blokken waaruit de pagina’s gesneden werden, de zogenaamde blokboeken. Vanaf omstreeks 1450 werden boeken gedrukt aan de hand van losse letters. Een postincunabel, gedrukt in 1536 bij Ioannes Lodoicus Tiletanus die het in opdracht van de erfgenaam van Josse Bade, Jean de Roigny, drukte. De titelpagina is opgebouwd uit houtsneden met centraal het drukkersmerk van Josse Bade. Eén van de vroegste afbeeldingen van de werkzaamheden aan de houten drukpers. |
|
Mooie, luxueuze prenten werden gedrukt op de etspers. |

|
Al vanaf het begin van de zestiende eeuw drukte men volksboeken. Deze werden sporadisch voorzien van houtsneden. Veelal enkel op de titelpagina, soms ook doorheen de tekst. |

|
In de achttiende en negentiende eeuw leerden zowat alle kinderen in de scholen lezen met de ABC-boekjes of haneboekjes. |
|
Complete reeks houten drukblokjes voor een ABC-boekje. Aan de hand van eenvoudige tekeningen en woorden leerden de kinderen letters en klanken. |