

|
Een terugblik naar de negentiende eeuw... |
|
600 jaar houtsneden en houtgravures
Hoofdstuk 2 : De houtsnede en de houtgravure Dick van Lente
De oudste gedrukte afbeeldingen zijn houtsneden. Ze verschenen in het begin van de vijftiende eeuw, meer dan een halve eeuw vóór de uitvinding van Gutenberg. Meestal ging het om speelkaarten en religieuze voorstellingen. Toen de boekdrukkunst eenmaal was uitgevonden, werd de houtsnede de ideale methode voor het illustreren van teksten. Beide zijn immers vormen van hoogdruk, wat betekende dat de letters en de in hout gesneden illustraties in één keer konden worden gedrukt. Dat hóefde natuurlijk niet, en het gebeurde dan ook niet altijd. In het werk van Albrecht Dürer en Lucas Cranach bereikte de houtsnede al spoedig een hoogtepunt. In de loop van de zeventiende eeuw werd zij langzamerhand verdrongen door technieken die een verfijndere afbeelding mogelijk maakten: de Eind achttiende eeuw ontwikkelde de Engelsman Thomas Bewick een hoogdruktechniek die veel gedetailleerdere afbeeldingen mogelijk maakte dan de houtsnede: de houtgravure. Tussen 1830 en 1890 was dit de meest toegepaste illustratiemethode voor populaire uitgaven. Het brede publiek kreeg daardoor tegen een geringe prijs de beschikking over afbeeldingen die, wanneer ze gemaakt waren door kundige graveurs, qua detaillering en verfijning nauwelijks onderdeden voor kopergravures en etsen.
De houtsnede
Al in de negende eeuw werden in China boeken gedrukt van houten blokken, waarin zowel de tekst als de illustraties waren gesneden. In Europa is deze techniek omstreeks 1400 ingevoerd. Een houtsnede is een soort stempel. Op een vlakgeschuurd stuk hout wordt een tekening gemaakt. Vervolgens wordt het houtoppervlak tussen de lijnen van de tekening weggesneden met een speciaal mes en verschillende soorten gutsen. Daardoor blijven alleen de delen die afgedrukt moeten worden verhoogd op het houtblok staan. Al dan niet samen met een gezette tekst wordt de houtsnede vervolgens met `inktballen' geïnkt en gedrukt op een boekdrukpers. Volksprenten werden ook in omloop gebracht door rondtrekkende prentmakers, die de prenten vervaardigden zonder drukpers. Zij smeerden het houtblok in met inkt, legden het papier erop en wreven daarover met een `frotton', een soort kussentje van paardenhaar en lijm, totdat de voorstelling op het papier was overgebracht. Zoals gezegd, werd de houtsnede vooral gebruikt voor goedkoop drukwerk, bestemd voor een groot publiek. Hiervoor bleef deze techniek tot ver in de negentiende eeuw in zwang, ondanks de concurrentie van de houtgravure. Drukkers die kinder‑ en volksprenten op de markt brachten, zoals Brepols en Van Genechten in Turnhout, Thompson en Ulrich in Rotterdam, Noman in Zaltbommel en Schuitemaker in Purmerend, gebruikten houtblokken die soms honderden jaren oud waren dan wel afgietsels daarvan. De oplagen van dit soort drukwerk waren gigantisch. Zulke prenten, en ook de goedkope almanakken, waren vaak slordig gedrukt op grof papier. Soms waren de houtsneden met de hand ingekleurd. Tot wanneer in de negentiende eeuw er nog houtsneden zijn gemaakt, is niet met zekerheid te zeggen, omdat ze meestal niet werden gesigneerd en gedateerd. Bovendien is een goede houtsnede niet gemakkelijk te onderscheiden van een primitief uitgevoerde houtgravure, en spreken uitgevers in brochures en op titelpagina's vaak van `houtsnêe‑platen' als houtgravures worden bedoeld. Op de prenten die wél gesigneerd zijn, treffen we soms de namen aan van specialisten in de houtgravure, zoals Alexander Cranendoncq en Willem Bal. We mogen aannemen dat zij de nieuwe techniek, de houtgravure, die veel gedetailleerder werk mogelijk maakte, ook voor deze kinder‑ en volksprenten gebruikten. Het is aannemelijk dat de houtsneden die na 1840 verschenen, gedrukt waren van oude blokken, terwijl nieuwe prenten gemaakt werden met de nieuwe techniek, de houtgravure.
|
|
JAARTHEMA : BRANDBAAR BEELD pagina 2 |


|
Zedelijke en belerende kinderboekjes kon men goedkoop op de markt brengen door het gebruik van houtsneden. |
|
Lovenschen almanach oft tijdt-verkonder Voor het Jaer ons Heere Jesu-Christi 1770, Leuven, Joannes Jacobs, 1770. |
|
Religieuze volksprenten werden vaak honderden jaren gebruikt. Ze gingen over van drukker op drukker en werden als zeer waardevol beschouwd. Zo gebruikten de Turnhoutse drukkers nog op het einde van de negentiende eeuw houtblokken die terug te brengen zijn tot de zeventiende eeuw. Vele blokken waren dan ook aangetast door houtworm, wat op deze prent zeer duidelijk te zien is. |