Een terugblik naar de negentiende eeuw...

600 jaar houtsneden en houtgravures

 

Terug naar vorige pagina

 

De houtgravure

 

Anders dan de naam doet vermoeden, is de houtgravure een vorm van hoogdruk, net als de houtsnede. Het belangrijkste verschil is dat de houtgravure niet op de langszijde, maar op de kopse kant van het hout wordt aangebracht. Er wordt een harde houtsoort, zoals palmhout, voor gebruikt (rond 1800 was dit overigens ook voor de houtsnede het favoriete hout). De afbeelding wordt niet met mes en guts, maar met een burijn aangebracht. Daarmee kon een kundige houtgraveur een detaillering bereiken die doet denken aan de kopergravure en de ets. In donkere gedeelten kon hij met één beweging van de burijn een wit lijntje aanbrengen, iets waarvoor bij de houtsnede minstens twee sneden nodig zijn, wat een grover resultaat oplevert. De hardheid van het hout, en het feit dat de druk van de pers in dezelfde richting als de nerf van het hout werkt, maakt de gravure veel slijtvaster dan de houtsnede en daardoor geschikt voor zeer grote oplagen. Een nadeel van palmhout is dat het alleen in kleine stukken beschikbaar is. Voor het maken van grote prenten moest men dus blokjes aan elkaar monteren. Aan de witte lijntjes in de afdrukken van sommige grote prenten is te zien dat de blokjes niet altijd precies op elkaar aansloten.

                      De houtgravure is een reproductietechniek; de meeste houtgraveurs werkten dan ook naar tekeningen van anderen. Dit vergde virtuositeit, omdat tekenaars niet altijd rekening hielden met de speciale eisen die het medium stelde. Ook het `toestellen' op de pers (de ondergrond plaatselijk verhogen met dunne strookjes papier van het te bedrukken papier om te zorgen dat alle details van de prent goed `uitdrukken') vergde veel aandacht. Juist bij de goedkope tijdschriften gebeurde dat niet altijd met evenveel zorg, tot grote ergernis van de graveurs, die hun werk verknoeid zagen door de drukker. De drukkers klaagden echter over graveurs die blokken leverden die niet vlak waren, wat hen veel tijd aan het toestellen kostte.

                      Als uitvinder van de houtgravure wordt meestal de Engelsman Thomas Bewick genoemd. Dat is niet helemaal juist. Het graveren met de burijn op de kopse kant van hardhout was in Engeland al vrij algemeen bekend toen Bewick het vak, in de periode 1770‑1780, leerde. Net als de houtsnede werd deze methode toen gebruikt voor eenvoudige, goedkope illustraties. Bewick liet echter zien dat de techniek zich leende voor een detaillering die tot dan toe ongekend was. Hij deed dat in een aantal prachtig geïllustreerde werken over dieren die vanaf 1790 verschenen en veel aandacht trokken. Een belangrijke factor bij het succes van de nieuwe illustratiemethode was de invoering van een fijner soort papier, het zogenaamde velijnpapier, rond 1780.

                Bewicks werk werd met enthousiasme begroet, en in Engeland verscheen spoedig een stroom van met houtgravures geïllustreerde werken. De verspreiding over het continent verliep echter langzaam. Gedeeltelijk omdat daar pas een groot publiek voor geïllustreerde bladen kon ontstaan toen de economie zich had hersteld van de terugslag van de Napoleontische tijd, rond 1830. Een andere verklaring van die trage verspreiding is dat Engelse houtgraveurs de techniek aanvankelijk voor zichzelf wilden houden en dus niet erg scheutig waren met het verspreiden van hun kennis. Dat laatste veranderde toen de vraag naar houtgravures dermate toenam dat er ruimschoots plaats was voor een groot aantal graveurs. De eerste tijdschriften met houtgravures verschenen in Engeland, Frankrijk en ook Nederland in de jaren 1820, maar pas na 1830 begon de grote opmars van de nieuwe techniek. Model voor veel latere bladen was het Londense Penny Magazine, dat vanaf 1832 verscheen. Dit blad werd uitgegeven door de Society for the Diffusion of Useful Knowledge, die zich de beschaving van de werkman ten doel had gesteld. De verspreiding van ‘nuttige kennis’ zou volgens dit gezelschap de werklieden overtuigen van de zinloosheid van gewelddadige politieke acties, en zou er dus toe kunnen bijdragen Engeland veilig door de politieke onrust te loodsen, die onder meer door de herziening van het kiesrecht werd teweeg gebracht. Dat het maar een penny kostte, was te danken aan het feit dat het geen krant was maar een weekblad van algemene aard, waarvoor geen zegelrecht hoefde te worden betaald. Bovendien werd het met een stoomsnelpers gedrukt van meerdere stereotypen: de moderne techniek werd dienstbaar gemaakt aan beschaving en maatschappelijke orde.

Aan het eind van zijn eerste jaar bereikte het Penny Magazine, tot verbazing van zijn uitgevers, al een oplage van 200.000 en we mogen ervan uitgaan dat het daardoor ongeveer een miljoen lezers had.

Het Penny Magazine kreeg spoedig concurrentie van andere, meer commercieel opgezette bladen, zoals de London Journal en het eerste rijk geïllustreerde nieuwsblad, de Illustrated London News, dat in 1842 wekelijks verscheen in een oplage van 26.000, voor sixpence per exemplaar van zestien bladzijden. In andere landen verspreidde de houtgravure zich via soortgelijke bladen. Toen in 1833 het eerste Franse geïllustreerde massablad verscheen, het Magasin Pittoresque (2 sous per wekelijks nummer, oplage 100.000) was er in Parijs maar één firma die houtgravures maakte: Andrew, Best en Leloir. Nadat dit bedrijfje de opdracht had gekregen voor het vervaardigen van de platen voor het nieuwe blad, en later voor L'Illustration (1842), groeide het uit tot een grote, welvarende firma. In 1835 werkten er in Parijs al 70 houtgraveurs. L'Illustration was een imitatie van de Illustrated London News, evenals het Amerikaanse Harper's Weekly en de Leipziger Illustrierte Zeitung.

Deze bladen mikten als eerste heel uitdrukkelijk op een massapubliek. Het is opvallend dat zowel het openingsartikel van het Penny Magazine als dat van het Magasin Pittoresque een vergelijking maakte met een transportmiddel dat recentelijk in de grote steden was verschenen: de omnibus, waarvan iedereen voor een klein bedrag gebruik kon maken. In elk geval in Engeland bereikten de goedkope geïllustreerde bladen inderdaad een sociale doorsnee van de bevolking. Dat was voor een belangrijk deel te danken aan de plaatjes, die deze bladen ook aantrekkelijk maakten voor mensen die niet of slechts moeizaam konden lezen.

                Voor de verspreiding van de houtgravure is nog een uitvinding van groot belang geweest: de stereotypie. Dat wil zeggen het vervaardigen van een replica of cliché van een hoogdrukvorm. Het principe was eenvoudig: men maakte een mal door de drukvorm in een zachte substantie, bijvoorbeeld gips, te persen en die vervolgens vol te gieten met letterspecie. Op deze wijze kon men meerdere replica's maken van één vorm, die op verschillende persen konden worden afgedrukt, wat de productiesnelheid aanmerkelijk verhoogde. Dankzij de stereotypie konden houtgravures, zonder verlies van kwaliteit door slijtage van het blok, in oplagen van duizenden worden afgedrukt. Van het kerstnummer van de Illustrated London News van 1882 werden bijvoorbeeld 425.000 exemplaren afgedrukt. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd eigenlijk alleen nog maar van zulke replica's gedrukt.

Met het maken van clichés van hoogdrukvormen werd al geëxperimenteerd in de vroege achttiende eeuw, maar pas in de jaren 1820 werd de stereotypie gemeengoed, en wel in de vorm die Stanhope (tevens uitvinder van de ijzeren pers) eraan gegeven had. In 1829 ontwikkelde de Fransman Jean-Baptiste Genoux het cilindervormige cliché met behulp van papier-maché - een methode die na 1850 algemeen werd ingevoerd en die essentieel was voor de rotatiedruk.

Clichés waren het middel waardoor de houtgravure zich het eerst vanuit Engeland verspreidde naar het continent en de Verenigde Staten. Er ontstond een levendige handel in deze clichés. Uitgevers in de meeste Europese landen en in Noord- en Zuid-Amerika kochten stereotypen van de beste platen uit het Penny Magazine om in eigen land soortgelijke tijdschriften op de markt te brengen. Omdat er een aanzienlijke markt voor deze illustraties bleek te zijn, vestigden tal van Engelse houtgraveurs zich in het buitenland.

Een andere methode voor het maken van replica's was de galvanoplastiek of elektrotypie. Deze techniek werd op verscheidene plaatsen tegelijk ontwikkeld aan het eind van de jaren dertig en was spoedig daarna gemeengoed. Galvano's vervingen langzamerhand de loodclichés, ook al waren ze ongeveer tweemaal zo duur. Ze gaven een scherper beeld, het koper was slijtvaster dan het zachte lood en de kans op beschadiging van het origineel was kleiner.

                      Nederlandsch Magazijn was de eerste Nederlandse publicatie waarin op grote schaal houtgravures verschenen. De nieuwe illustratietechniek was baanbrekend. `Het volk' was al eeuwenlang vertrouwd met gedrukte afbeeldingen in de vorm van centsprenten, almanakken en geïllustreerde vlugschriften. Maar de verfijnde prentkunst was altijd voorbehouden geweest aan het welgestelde publiek. De houtgravure bracht voor het eerst prenten van een hoge kwaliteit bij het brede publiek; gedetailleerde en natuurgetrouwe afbeeldingen van, in de woorden van de uitgever, `al hetgeen belangstelling wekken en genoegen geven kan.' Voor de eerste jaargangen werden die grotendeels overgenomen uit buitenlandse penningmagazijnen. In de loop der jaren verscheen steeds meer werk van Nederlandse graveurs in dit blad. Andere uitgevers maakten veel meer gebruik van in het buitenland gekochte afgietsels en galvano's ‑ een praktijk die de Nederlandse houtgraveurs op den duur fataal zou worden.

                                 In de nieuwere stijl van houtgraveren, die Bewick op gang had gebracht, waren Engelse houtgraveurs de eerste leermeesters. Omdat er op het continent een grote markt voor hun werk bleek te bestaan, zochten verscheidene Engelse houtgraveurs daar hun geluk en verspreidden aldus de nieuwe techniek. Een mooi voorbeeld is de Engelse graveur Henry Brown (1816‑1870). Deze had gestudeerd aan de Londense tekenacademie, korte tijd in een atelier in Londen gewerkt, en was in 1835 naar Parijs vertrokken, waar hij zich als zelfstandige vestigde. Brown werd spoedig een veelgevraagd graveur die meewerkte aan belangrijke plaatwerken als ‘Gallerie de Versailles’ en ‘Mille et une nuits’. In 1837 werd hij leraar aan de Koninklijke Graveerschool in Brussel (verbonden aan de grote uitgeversfirma van Dewasme), waar hij tal van leerlingen het vak bijbracht. Drie jaar later, in 1840, werd hij directeur van de eerste Nederlandse houtgraveerschool.

 

Verdere ontwikkeling van de hoogdruktechniek

 

De houtgravure werd in de loop van de negentiende eeuw steeds verder ontwikkeld. Het ging daarbij niet zozeer om het verbeteren van de kwaliteit van de prenten als wel om het verhogen van de productiesnelheid. Immers, terwijl het drukken met stoomsnelpersen en rotatiepersen steeds sneller ging (tweeduizend kranten per uur in de jaren 1850), bleef het met de hand vervaardigen van illustraties in hoogdruk een tijdrovende zaak. Grote prenten vergden dagen graveerwerk: 50 cm² per dag was voor een gedetailleerde tekening ongeveer het maximum. Voor illustraties in boeken was dat niet zo’n probleem, maar voor kranten en tijdschriften, die het moesten hebben van actualiteitswaarde, was dat wel het geval. Een aantal vernieuwingen versnelden de productie. Al in de jaren dertig werden in Engeland zogenaamde toonstekers en linieermachines ingevoerd, waarmee men snel parallelle lijntjes (arceringen) kon trekken. Dat was onder meer handig voor het vullen van grote lege vlakken in een tekening, bijvoorbeeld een stuk lucht. Vooral Amerikaanse graveurs ontwikkelden een grote virtuositeit in het weergeven van grijstinten door arceren, onder meer met behulp van deze apparaten.

 

Een tweede vernieuwing, omstreeks 1840 ingevoerd, bestond uit het verdelen van het werk aan grote platen over een aantal gespecialiseerde graveurs. De voor een plaat benodigde houtblokken werden samengevoegd tot één groot blok. Nadat daarop de tekening was aangebracht, werden de blokken weer uit elkaar gehaald en door verschillende graveurs tegelijk bewerkt, waarbij sommigen gespecialiseerd waren in gebouwen, anderen in wolken of menselijke figuren.

 

Ondanks deze vernieuwingen kon de vervaardiging van illustraties die van tekst nauwelijks bijhouden. De komst van de telegraaf (vanaf 1840) onderstreepte dit probleem: terwijl journalisten hun teksten in een oogwenk naar huis stuurden, bleef het verzenden van tekeningen afhankelijk van de post, en moest elke tekening met de hand worden omgezet in een hoogdrukvorm. Daardoor bestond altijd het risico dat illustraties achterhaald waren door nieuwe gebeurtenissen die de aandacht trokken. Geen wonder dus dat er werd gezocht naar methoden om tekeningen direct om te zetten in hoogdrukvormen, zonder tussenkomst van een graveur. Verscheidene methoden werden ontwikkeld, met als gevolg dat graveurs tegen het eind van de eeuw hun werk verloren. De fotografie speelde daarbij een sleutelrol.

 

Vanaf ongeveer 1860 werden fotografische technieken gebruikt om een beeld (tekening dan wel foto) op het houtblok over te brengen. Op het hout werd een lichtgevoelige laag aangebracht, die werd belicht door een negatief, waarna de graveur het beeld omzette in een hoogdrukvorm. Foto's konden bij de toenmalige stand van de fotografie overigens alleen gebuikt worden voor portretten en afbeeldingen van gebouwen; voor actietaferelen bleef men aangewezen op tekeningen, die natuurlijk ook konden worden omgezet in een negatief. Vanaf ongeveer 1870 werd het houtblok steeds meer vervangen door een zinken plaat. Daarop werd fotografisch een lijntekening aangebracht, die vervolgens zuurbestendig werd gemaakt, waarna de plaat via een zuurbad werd omgezet in een hoogdrukvorm, het zogenoemde lijncliche. Een verdere ontwikkeling van deze techniek was het rasterprocédé (vanaf 1882), waardoor een foto kon worden omgezet in een zinken hoogdrukvorm. Deze zogenoemde autotypie bestond niet uit lijntjes, maar uit puntjes van verschillende dikte, waardoor de afdruk de illusie van grijstinten opriep.

 

Deze zogenoemde fotomechanische procedés maakten de houtgraveurs brodeloos: ze waren niet alleen sneller, maar ook goedkoper. Een ambacht waarin honderden vaklieden een ongelofelijke virtuositeit hadden bereikt was daardoor, honderd jaar na zijn opkomst, weer verdwenen. Een aantal houtgraveurs vond nog werk in het bijwerken van zinkplaten met de burijn, maar het vak had zijn tijd gehad.

 

Terwijl in de commerciële drukkerij de kunstenaars en ambachtslieden plaatsmaakten voor fotografen en machines, werden oude illustratietechnieken herontdekt door vrije kunstenaars. In Engeland bracht William Morris, die de ambachten nieuw leven wilde inblazen, een ware herleving van de houtsnede teweeg met zijn Kelmscott Press (1891). In Nederland legde onder meer Samuel Jessurun de Mesquita zich op deze techniek toe. In Vlaanderen traden na de Eerste Wereldoorlog de Vijf als vernieuwers van de houtsnede op de voorgrond. Het waren Jan-Frans Cantré, Jozef Cantré, Frans Masereel, Henri Van Straten en Joris Minne. Als illustraties kwamen handgemaakte prenten echter alleen nog in heel kostbare werken voor.

 

Historische Drukkerij Turnhout

JAARTHEMA : BRANDBAAR BEELD                pagina 3

Tekstvak: Member of

Door de komst van de fotografie werd de houtgravure tegen het einde van de negentiende eeuw verdrongen door het cliché. Vanaf dat ogenblik voerde men de houtgravure voornamelijk nog uit als kunstambacht. Door de uitgave van kunstmappen brachten uitgevers deze kunstwerkjes nog aan de man.
Meisterwerke der Holzschneidekunst. Verlagsbuchhandlung von J.J. Weber. Januari 1896, 208ste aflevering.

Tweekleurig kerkboekje, gedrukt met houtgravures. De afgebeelde houtblokken zijn deze op de rechterpagina van het boekje.
Missel Romain, Turnhout, Etablissement H. Proost et Cie, 1932

Burijnen, het handgereedschap van de houtsnijder.

Een houtsnijder, met de loep werkend aan een nieuwe blok.

Thomas Bewick wordt algemeen aanzien als de uitvinder van de houtgravure. Dit boek, dat door Bewick zelf geïllustreerd werd, bewijst welke knappe resultaten konden worden bereikt met deze techniek.
A general History of quadrupeds. Newcastle, vijfde uitgave, 1807

De eerste tijdschriften die veelvuldig gebruik maakten van houtgravures verschenen in Engeland. Model voor de vele latere bladen was het Londense Penny Magazine, dat in 1832 voor het eerst verscheen. Dit blad werd uitgegeven door de Society for the Diffusion of Useful Knowledge, die de beschaving van de werkman tot doel had gesteld. Dat het maar een penny kostte was te danken aan het feit dat het een weekblad was, en geen dagblad. Zo hoefde men geen zegelrecht te betalen.
The Penny Magazine of the Society for the diffusion of useful knowledge, Londen, 1832

Naarmate de negentiende eeuw vorderde werd steeds meer geïndustrialiseerd. Gespecialiseerde bedrijven leverden houtgravures of goedkopere afgietsels hiervan. Catalogi werden samengesteld waardoor de drukker uit enkele duizenden plaatjes kon kiezen.
Westermann’s Holzschnitt-Illustrations-Katalog, 2557 Nummern enthaltend zum Gebrauch für Buchhändler und Buchdrucker. Braunszweig, 1865.