
|
Een terugblik naar de negentiende eeuw... |
|
Uittreksel uit de beschrijving van de eerste snelpers van Friedrich Koenig. Hoe heeft de eerste cilinderpers er uitgezien ? De firma Koenig & Bauer heeft aan het begin van de 20ste eeuw aan de hand van tekeningen en plannen van Friedrich Koenig twee modellen gemaakt van deze eerste cilinderpers. Eén ervan staat in het bedrijfsmuseum, een andere in het Deutsche Museum in München. De houten handpers, een uitvinding van Gutenberg, heeft gedurende 350 jaar met slechts weinig veranderingen het drukwerk verzorgd. Tegen het einde van de 18de eeuw verbeterde Friedrich Wilhelm Haas deze pers, en maakte bijna alle onderdelen uit ijzer. De Engelsman Lord Stanhope ging hierin nog een stap verder en bouwde kort na Haas zijn volijzeren handpers. Met het hefboommechanisme kreeg de pers veel meer perskracht en zo werd het mogelijk de vorm in slechts één teug te drukken, daar waar het bij de houten persen in tweemaal geschiedde. Deze vernieuwing was echter niet van lange duur, daar een boekdrukker die voornamelijk de houten handpers kende zich nog met iets grootser bezighield, namelijk de druksnelheid te vergroten. Dit was Friedrich Koenig, de uitvinder van de cilinderpers. Johann Friedrich Gottlob Koenig werd in Eisleben geboren op 17 april 1774 als zoon van een landbouwer. Hij liep school aan het atheneum van zijn geboortestad en werd letterzetters– en drukkersleerling bij de firma Breitkopf & Hartel in Leipzig. Voor zijn verdere ontwikkeling woonde hij lezingen bij aan de Universiteit van Leipzig. Met bijzondere voorliefde bestudeerde hij Mathemathiek en Mechanica. Na verscheidene vergeefse pogingen om steun te vinden voor zijn plannen in Duitsland, Oostenrijk en Rusland trok hij in 1806 naar Engeland. Daar vond hij een geldschieter, de welbegoede drukker Thomas Bensley in Londen, die sterk geloofde in Koenigs plannen en een overeenkomst met hem afsloot. Later sloten ook George Woodfall en Richard Taylor zich bij hem aan. In 1808 leerde de uitvinder de mecanicien Andreas Friedrich Bauer kennen. Hij was geboren op 18 augustus 1783 in Stuttgart. Deze werd zijn vriend en compagnon. Na het overwinnen van de vele hindernissen kon Koenig op 29 maart 1810 zijn eerste patent nemen op een pers, die in april 1811 in Bensleys drukkerij in bedrijf zou genomen worden. Deze was in feite een versnelde handpers, waarvan het mechanische gedeelte enkel het ininkten van de vorm overnam. Verder werd het principe van de handpers behouden, maar de ballenmeester werd hiermee uitgespaard. De pers leverde om en bij de 400 druks per uur. Het maken van de rollen en de aandrijving hiervan hadden de grootste moeite gekost om deze machine te bouwen. Over de vorm die als eerste op deze machine gedrukt werd sprak Friedrich Koenig in een artikel van de Times van 8 december 1814 : “the sheet (H) of the new Annual Register for 1810, ‘Principal Occurences, 3000 copies, was printed with it, and is, I have no doubt, the first part of a book ever printed with a machine.” Door het succes aangespoord streefde Koenig naar een grotere snelheid van de machine. Al op 30 oktober 1811 nam hij een tweede patent voor een pers die in december 1812 drukklaar zou zijn. Een complete verandering in de bouwwijze en in drukprincipe werd hier nu toegepast. Het waren nu niet langer twee vlakken (degel en vorm) die de druk gaven zoals bij de handpers, maar een cilinder die rolde over de vorm. Deze machine voldeed voorlopig aan de wensen van Koenigs verlangens, hiermee kon hij 800 afdrukken per uur leveren. Deze pers was in twee delen ingedeeld, het ene was het aandrijf– en bewegingsmechanisme, het andere het gedeelte dat het drukproces uitvoerde. Beschrijving inlegmechanisme Wat volgt is een korte beschrijving van de meest interessante delen van deze eerste cilinderpers. Bij het bekijken van de afbeeldingen van deze pers wordt al veel over de werking ervan duidelijk. De beschrijving is voornamelijk toegespitst op het drukproces en de inktaanvoer. De kar werd over een dubbele baan aangedreven, die bij de afbeeldingen duidelijk te zien is. Het verminderen van de stoten bij het omkeren van de kar gebeurde door een verenbuffer. (zie afbeelding voor– en achteraanzicht) De drukcilinder was in drie drukvlakken ingedeeld. Tijdens een volledige omwenteling van de drukcilinder ging de kar hierbij driemaal heen en weer, driemaal werd de cilinder gestopt, en de vorm drukte driemaal af. Tussen de drie drukvlakken (B1, B2, B3 op Fig. 1) zaten uitgespaarde verdiepingen. Op elk drukdeel was een doek gespannen en vastgeschroefd, welk een zelfde doel had dan het tympaan van de handpers. Over het drukdoek heen werd een overlegvel aangebracht. In het midden van elk derde deel bevond zich bij merkteken e (fig. 1) een aanlegnaald, waarmee het te bedrukken vel van bovenuit aangelegd werd, waarna deze zich door zijn eigen gewicht tegen de cilinder legde. In de uitgespaarde verdiepingen zaten de assen waardoor de swingende en tegelijk met de drukcilinder meedraaiende zogenaamde frisketramen f, f’ en f’’ meebewogen. Hiermee werd voor en tijdens de druk het vel door middel van banden vastgehouden. Figuur 1 en 2 laten de bewegingswijze van de frisketramen zien. De frisketramen waren opgemaakt uit langslopende stangen g en dwarslopende stangen h die zo een raam vormden, waarbij in de uitsparingen van de cilinder de assen i zaten waarrond de frisketramen hun beweging maakten (fig. 2). Tussen de langslopende stangen g bevonden zich twee dwarslopende ronde stangen k, k’ (fig. 2), waarvan de ene (k) vast aan de cilinder, en de andere (k’) door middel van lagers door de dwarslopende stang g gedragen werd. Aan k waren banden l bevestigd, die naar k’ liepen en daar om de rollen m gewikkeld waren. Verder zat op de buitenzijde van k’ nog een rol n, welke door band l’ in verbinding stond met een door een koker o omgeven spiraalveer (als in een uurwerk). De banden l en l’ waren aan hun desbetreffende rollen vastgemaakt, waardoor bij elke draaiing van de ronde stang k’ deze in tegengestelde richting draaiden. Hier had de spiraalveer tot doel band l’ naar beneden te trekken en bijgevolg de banden l tussen de stangen k en k’ strak te houden. Loodrecht op de langslopende stangen g en op hun zelfde draaias zat de arm q, waar op het einde rol r zat, welke door band s in verbinding stond met de in de drukcilinder bevestigde spiraalveerkoker t. Het doel van dit mechanisme was de frisketramen te openen en deze in positie te houden zolang de drukcilinder stilstond. Band s (fig. 1) was dan op de rol gewikkeld en de spiraalveer trachtte rol r samen met arm q naar de binnenwand van de cilinder te drukken en zo de langslopende stangen g in hun uiterste openingspositie te houden. Bij het vervolg van het drukproces ging het frisketraam en de banden zich over de cilinder heen leggen om aldus het vel papier tegen de cilinder aan te drukken. Dit gebeurde als volgt : aan de zijkant van de machine waren geleiders C geschroefd (fig.1) waartegen de op het uiterste einde van de langslopende stangen vastzittende geleiderollen v aanliepen wanneer de cilinder in beweging kwam. Deze geleiders C waren zo gevormd dat de geleiderollen v (en samen met deze het volledige frisketraam) geleidelijk de cilinderwand naderden en tenslotte punt x bereikten. Ondertussen wikkelden de banden l van de ronde dwarsstang k’ af en legden zich rond de cilinder waardoor het vel tegen de cilinder aangedrukt werd. Van het ogenblik dat geleiderollen v het punt x bereikten, was het centrum i van het frisketraam onder bij de aanvang van de druk aanbeland, en de langslopende geleiders g vormden dan samen met de banden l een cirkelboog over de drukcilinder. Nu bleven alle delen van het frisketraam hun plaats behouden tot de eigenlijke druk beëindigd was. Dit gebeurde door de geleiders C die over deze gehele afstand gelijklopend met de cilinder stonden (x tot x). Om het gevaar voor te blijven dat af en toe een vel zich niet vlak tegen de cilinder legde en zou kunnen verschuiven was er nog een maatregel getroffen. Op de banden l waren namelijk fijne veren w gezet, die op het einde door een dwarsstang qu (fig. 2) verbonden waren. Door deze veren en de dwarsstang werd het vel dat op merkpunt e aangelegd werd vastgehouden, nog voor de banden l dit vel raakten, doordat dit laatste pas gebeurde nadat de cilinder weer in beweging gekomen was en door geleiders C het frisketraam het vel tegen de cilinder drukte. Nadat de kar op het einde van zijn heenweg aan het dode punt kwam, het vel gedrukt, en het eigenlijke drukproces beëindigd werd, zou nu het vel theoretisch van de cilinder genomen kunnen worden, want er was geen enkele reden waarom het frisketraam nu nog gesloten moest blijven. Maar praktisch was er nog een hindernis te overbruggen. Het vel zou namelijk met de achterzijde naar beneden hangen en bij het teruglopen van de drukvorm met inkt besmeurd worden. Om dit te voorkomen bevond zich op het einde van de geleiders C nog een armpje x dat over een as y kon bewogen worden, en zodanig geplaatst dat het tegen een op de kar geplaatste nok zolang omhoog gehouden werd tot de volledige vorm het vel gepasseerd was. Op dit moment liep de onvermijdelijke druk op geleiderol v af, tesamen ook met die op het frisketraam. De spiraalveer t trok de arm q terug tegen zijn rustpositie tegen de cilinderwand, hierdoor kwamen ook de langslopende stangen g naast het frisketraam in geopende stelling, waardoor ook de banden l weer hun rechtlijnige positie tussen de dwarsstangen k en k’ aannamen. Het gedrukte vel lag nu los op de cilinder. Om dit vel weg te kunnen nemen moest het nog een stuk verder gevoerd worden, hoewel het weg zou kunnen schuiven nog voor men het vel vast had. Hiervoor werd in deze positie het vel door twee op de cilinderwand zittende klemmen vastgenomen, die zich bij aankomst van de cilinder in de rustpositie weer openden, waardoor het vel achteraan kon vastgenomen worden en uitgelegd worden. Beschrijving inktgeving Het opdragen van de inkt gebeurde door twee opdraagrollen die zich onderling bewogen, maar slechts afwisselend de vorm ininktten, de ene bij het heengaan en de andere bij het terugkomen van de kar. Beiden hadden een bijzondere aandrijving door met behulp van tandraderen de opdraagrollen in tegenovergestelde richting te laten draaien. Doordat de rollenspecie nog niet uitgevonden was werden lederen rollen gebruikt. Een houten cilinder werd eerst met flanel of een andere zachte doek die snel het vocht opzoog overtrokken en hierover werd dan het leder geplaatst. De houten rol waarvan de as hol en van kleine gaatjes voorzien was, werd aan de zijkanten dichtgemaakt . Dezelfde gaten waren in de cilindermantel voorzien. Om te voorkomen dat de rollen uitdroogden en het leder scheurtjes ging vertonen, werd van tijd tot tijd water of waterdamp in de holle cilinder gelaten. Dit vocht ging door de gaten in de cilindermantel naar de flanellen doek en deze hield het leder vochtig, dat daardoor soepel en elastisch bleef. Het inkttransport van de verwrijfcilinders en opdraagrollen werd niet zoals nu door een ductor (bakrol) met een open inktbak geregeld, maar door een rechtopstaande cilinder of kuip, waarbij in de bodem een kleine opening zat. Hierdoor druppelde de inkt in het midden van de rollen die door een speciaal mechanisme uit de cilinder geperst werd. Door de verschillende tussenrollen werd de inkt verdeeld over de volledige breedte van de rollen. Slechts een begin… Hiermee was de eerste cilinderpers een feit. Toch bleef Friedrich Koenig niet op zijn laueren rusten. Al snel volgde een nieuw patent, deze voor de bekende dubbele cilinderpers van ‘The Times’ waarmee 1100 afdrukken per uur geleverd werden. Het Huis Koenig & Bauer werd een succes. Dank aan de firma Koenig & Bauer. |


|
BESCHRIJVING KOENIGS EERSTE CILINDERPERS |
|
De eerste pers van Koenig (1803-1804), de zogenaamde Suhler-pers. Zijn volgende pers was gelijkaardig maar dan voornamelijk uit gietijzer. (schaal 1 op 2) |
|
Koenigs cilinderpers, waarop hij een patent nam in 1811. Hij nam afstand van de bestaande drukpers en ontwikkelde een volledig nieuw drukproces. (schaal 1 op 2) |







|
VOORAANZICHT |
|
ZIJAANZICHT |
|
ACHTERAANZICHT |
