Een terugblik naar de negentiende eeuw...

Van mannekensblad tot strip

Patricia Vansummeren,

Harry de Kok, Jan Smet

 

In België noemt men ze meestal mannekensbladen of kinderprenten, zo ook in Nederland. In Duitsland noemt men ze Bilderbogen of Fliegende Blätter, in Frankrijk imagerie populaire, feuilles volantes of images d’ enfants. In Zweden heeft met het over Kristbref naar de gewoonte om ze in een kofferdeksel te kleven. Deze termen komen grotendeels overeen met de benaming volksprent.

De geschiedenis van het Turnhoutse mannekensblad is voor een stuk de geschiedenis van de Turnhoutse druknijverheid. En! Laat daarover geen misverstand bestaan. Papierverwerken en drukken zijn in Turnhout niet ouder dan 1795-96 en kwamen tot ontwikkeling in de negentiende eeuw. Het Turnhout van voorheen kan men niet typeren als speelkaartenstad, doch wel als een centrum voor tijk– en linnenwevers, van blekerijen en kantwerksters… en met bovendien een belangrijke agrarische sector. Juist de Napoleonistische tijd was gunstig voor de tijkaktiviteit. En toch ontstond toen het embryo van de latere kentering.

De geschiedenis

In 1795-96 belandde een veertigjarige Leuvenaar, Pieter Corbeels, met enig drukkersalaam in Turnhout. Corbeels was eigenlijk een verzetsman, die mogelijk aangelokt werd door de stille stad, dicht bij de grens gelegen. Zijn kleine drukkerij was hem een geheime bondgenoot bij de aanmaak van de pamfletten, die de geest van verzet tegen de Franse dwingelandij moesten levendig houden. Corbeels overleefde de Boerenkrijg niet, doch zijn leerjongen en medewerker Philip Jacobus Brepols, eveneens uit Leuven, wist op korte tijd het kleine bedrijf, dat hij in 1800 van de weduwe had overgenomen, aanzienlijk uit te bouwen. Ondermeer drukte Brepols boekjes met prettige, nog barok klinkende titels als bv. ‘De Boerentheologie’ of ‘De Godvruchtige Kluizenaar’ enz…

Geleidelijk bouwde Brepols het terrein van zijn bedrijvigheid uit. Aan het drukken van boeken, prenten van beschermheiligen en huiszegens voegde hij de fabricatie van gekleurde fantasiepapieren toe en spoedig ook het drukken van speelkaarten. Het zakendoen zat Brepols in het bloed. Hij verkocht van alles, ondermeer mannekensbladen die hij aankoopt bij drukkers als Le Tellier te Lier of C. Parys en Vinck te Antwerpen. Het feit dat hij adverteerde ‘vilte en zijden hoeden, wit en zwart, waterproef’ en petten, alsmede ‘pennen, griffiën, ouwelen, cijfferschaliën, kurkestoppen, beddetijken’ te verkopen en dat hij een commissiekantoor van goederen naar alle gewesten had, getuigt van een negentiende-eeuwse koopmansziel, die alle wegen bewandelde waar de koophandel fortuin kon brengen. Doch ook deze typering is onvoldoende voor de rasechte wereldindustrieel ‘avant-la-lettre’ die Brepols was.

Brepols trad in zijn bedrijf, dat in de besproken periode steeds op de hoek van de Markt en de Papenstraat lag, ook spoedig op het terrein van de Franse drukkers, zoals die voor de Franse Revolutie bestonden bij de ‘imageries’ van Chatres, Troyes, Orleans en Epinal.

In tegenstelling tot de belangrijke productie van kinderprenten in de Noordelijke Nederlanden is hierover in de Zuidelijke Nederlanden zeer weinig bekend. Slechts een beperkt aantal prenten is bewaard gebleven. Zelfs Antwerpen, dat nochtans in de 17de en 18de eeuw een belangrijk drukcentrum was van devotieprenten, heeft weinig sporen nagelaten van profane volksprenten. Belangrijke drukkers-uitgevers te Antwerpen, zoals Abraham Verhoeven, Antonius Spierinckx, Hiëronymus Verdussen, C. Parijs en de familie Vinck brachten wel enkele profane volksprenten op de markt zoals de ‘Trap des Ouderdoms’, koningsbrieven, ganzenborden en enkele prenten met houtsneden over de Antwerpse Ommegang, gesigneerd Jan Christoffel Jegher. Ook in andere steden waren drukkers actief zoals onder meer Van der Haeghen, Ch. De Goesin-Disbecq, J.P. Poelman en Van Paemel te Gent, P.J. Hanicq te Mechelen en G. Cawe en P. Vleminckx te Brussel. In vergelijking met Nederland zijn in België maar weinig profane volksprenten had zoals een ganzenspel en een uilenbord en enkele profane prenten waaronder het verhaal van ‘Klein Duimpje’ en er was Turnhout.

Door het toedoen van Brepols werd het mannekensblad in de Nederlanden als het ware een Turnhouts monopolie. De mannekensbladen die hij verkocht kocht hij te Antwerpen en te Lier (Le Tellier). Ondertussen was de bedrijvigheid van J. Ch. Pellerin in Epinal herbegonnen. Nadat Brepols heiligenprenten van de bedevaartplaatsen had gedrukt, kocht hij in 1817 een fonds van een veertigtal houtblokken om mannekensbladen te drukken van Le Tellier te Lier, wat de start is van een bloeiende fabricatie van kinderprenten. Een spilfiguur voor de eigen creatie ‘figuursnijder’ P.F. Wellens, werkte voordien vermoedelijk voor Le Tellier. Aangezien België deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, vormde het huidige Nederland een belangrijk onderdeel van de markt. In Nederland doet P.J. Brepols beroep op wederverkopers die de prenten voor hem verspreiden en deze vaak bestellen op hun eigen naam. Een prent die eind 1817 –begin 1818 zeer goed verkoopt is de ‘Slag van den berg Saint Jean…’ over de slag van Waterloo (1815). Deze prenten worden met houtblokken gedrukt op handgeschept papier. Voor het inkleuren van de prenten worden speciale sjablonen gemaakt en worden de verfstoffen voorbereid. Een deel van de productie wordt met sjablonen ingekleurd, de rest wordt als ongekleurd verkocht en eventueel door de wederverkopers ingekleurd. Vanaf ongeveer 1820 verkoopt Brepols ook in Wallonië en worden sommige prenten tweetalig Nederlands/Frans. Vanaf 1829 worden voor het eerst prenten gemaakt in lithografie; deze beprekte reeks wordt eind 1830 niet meer voortgezet. De jaren na de Belgische Onafhankelijkheid zijn moeilijke jaren voor Brepols. Omwille van tolheffingen verliest hij een deel van de Nederlandse markt. In de jaren 1840-50 kocht Brepols een gedeelte van het fonds J. Noman en Zoon uit Zaltbommel aan. Dity fonds bevatte gravuren, die herkomstig waren van de firma J. Hendriksen uit Rotterdam en van de Erven Weduwe C. Stichter uit Amsterdam. Eer wordt ook overgeschakeld naar het gebruik van mechanisch vervaardigd papier. Nieuwe graveurs als C.A. Moermans, A. Cranendoncq en J.J. Delanier ontwierpen nieuwe prenten, waaronder ‘de trein’.

Het succes van zo’n ondernemend man deed noodzakelijkerwijze gelijkaardige initiatieven loskomen in de kleine stad. In 1833 verliet Jacques Edward Glénisson, neef en bediende van Brepols, de fabriek van zijn oom en begon samen met zijn geldschieter A. Van Genechten een nieuwe concurrentiële onderneming, eerst in de Hofpoort, later in de Warandestraat.

In 1834 begonnen Petrus Frans Wellens, werknemer bij Brepols, en de kapitaalkrachtige Petrus Delhuvenne voor eigen rekening te werken met succesvolle mannekensbladen. In 1844 hielde de vennootschap op, doch Delhuvenne ging gewoon door met het drukken van o.a. mannekensbladen. In 1850 verhuisde de fabriek van de Warande– naar de Otterstraat. De weduwe Delhuvenne liet de fabriek over aan Stefaan Splichal, doch verkocht het fonds en de blokken mannekenspapieren in 1856 aan de firma Glénisson-Van Genechten. Dit bedrijf kwam eveneens in het bezit van een deel van de houtblokken van de opvolgers van de firma Thompson uit Rotterdam en tevens van een deel van het fonds Noman en Zoon uit Zaltbommel. In 1856 gingen de vennoten Glénisson en Van Genechten uit elkaar, het fonds mannekensbladen onder elkaar verdelend. Op korte tijd werd Van Genechten inzake kinderprenten een dermate zware concurrent van Brepols dat deze laatste de productie afbouwt omdat de prijzen te laag zijn. In 1861 adviseert men de klanten zelfs om mannekensbladen aan te kopen bij Antoine Van Genechten, die nog goedkoop kan leveren. Op het einde van de negentiende eeuw start Brepols om commerciële redenen met een nieuwe lithografische reeks. Mechanische litho-persen zijn sneller en halen hogere oplagen dan drukpersen met houtblokken. Een aantal oude prenten wordt van houtblok overgezet op litho. Ook nieuwe prenten—replica’s van Epinalprenten– worden hierin opgenomen. Geleidelijk aan wordt het sjabloneren ook vervangen door het kleurdrukken op litho-persen, de zogenaamde chromolithografie. De kleuren dienen nog altijd kleur per kleur aangebracht te worden. Glénisson drukte nog tot 1899 (Hofstraat, nu Renier Sniedersstraat). Bij Van Genechten op de Merodelei drukte men slechts mannekensbladen tot in 1870 toen het fonds werd verkocht aan Frans Beersmans-Pleek, een vakmanbediende uit de fabriek van Brepols tot hij zelf met een drukkerij begon. Na zijn dood in 1897 zette zijn weduwe Beersmans-Pleek op de hoek van de Markt en de Gasthuisstraat de zaak nog een vijftal jaren verder. Het fonds bestond uit een honderdtal prenten. Toen was het bloeitijdperk voorbij en het stage kwijnen reeds begonnen.

Bij het begin van de twintigste eeuw legde opvolger A.J. Jacobs-Brosens het uitgeven van mannekensbladen stil. In 1902 had deze de zaak overgenomen, doch in 1903 houtblokken verbrand en de voorraad prenten verkocht aan de Antwerpse volkskundige Emile Van Heurck. Men noemt het aanwenden van het mechanische procédé, waardoor de volksprent alledaagser en geestlozer werd, als één der hoofdoorzaken van het verval. Doch niet alleen de gewijzigde techniek, ook het individalisme van de mens was minder toegankelijk geworden voor de taal en de thematraditie (waarover verder) van de bladen. Daterend van in de pruikentijd overleefden de mannekensbladen zelfs de jongste eeuwwisseling doch dan naderde het einde. In 1916 brengt Brepols een prent uit over het Belgisch Leger. Deze prent kan worden uitgeknipt, een typisch kenmerk van de militaire kinderprenten. Met een formaat van 90 bij 65 cm is het wellicht ook de grootste soldatenprent uit de periode. Voor de eerste maal in zijn geschiedenis geeft Brepols in de kinderprenten blijk van patriottisme. Het is verwonderlijk dat de Duitse censuur deze prent niet heeft opgemerkt of althans het drukken ervan heeft toegestaan.

Ondermeer de opkomst van het gekochte en ontleende boek (in 1921 ontstond de eerste bibliotheekwet) deden bij de bevolking nieuwe gewoonten ontstaan. Het mannekensblad als medium is verdwenen. De bladen behielden echter wel een secundaire waarde. Als gegeerd verzamelobject, als spiegel van een tijd en op tentoonstellingen blijven ze vermoedelijk altijd bestaan.

De themata

De thema’s van de volks– en kinderprenten zijn zeer divers. De oudste prenten zijn vaak religieuze prenten die niet specifiek op kinderen gericht zijn: het leven van Maria, Christus of populaire heiligen; en de zogenaamde huiszegens. ‘De huiszegen wordt gelezen als er eenig groot gevaar op handen is, wanneer een vrouw in barensnood verkeert of een mens op sterven ligt, maar vooral ten tijde van onweder. Dan zitten al de huisgenoten rond de tafel geschaard waarop de gewijde keers staat te branden terwijl de vader des gezins met luide stemme den zegen voorleest’. De huiszegen bestaat meestal uit twee delen. Op de rechterzijde werd de lijdende Christus afgebeeld waarrond een gebed gedrukt werd dat in geval van nood kon gelezen worden. Zoals aangeduid op de oudste versie van de huiszegen van Scherpenheuvel uitgebracht door Brepols moest dit gebed er voor zorgen dat geen ongeluk oyt daer in en kome met tovery, duyvels gesluys, ook voor alle kwaede ziektens onder de menschen en vee en behoed dit huys voor vuer, hagel, donder, blixem en groote watervloed en bewaerd ook onze landen voor oorlogen en droeve tijden. Als materiaal bedevaartoord werden Scherpenheuvel, Halle, Kevelaar en Uden gekozen.

Een aantal godsdienstige prenten zijn cryptischer zoals de Duyvelsdans (pleidooi tegen de dans). De geestelycke loterij en de Doodenspiegel (confrontatie met eindigheid van het bestaan). Als laatste in de reeks willen we nog de aandacht besteden aan De Trap des Ouderdoms. Deze trap verbeeldt de verschillende fasen uit een mensenleven, hier voorgesteld door paren: op elke trede een jongen en een meisje, een man en een vrouw, in een evolutie van de geboorte tot de dood. Per 10 jaar, tot 100, wordt een bepaalde leeftijdsgroep uitgebeeld: 10 ans âge de l’adolescence, 20 ans âge de la jeunesse, 30 ans âge viril, 40 ans âge de discretion, 50 ans âge de maturité, 60 ans âge déclinant, 70 ans âge de dédadence, 80 ans âge caduc, 90 ans âge décrépitude, 100 ans âge d’enfance. Beneden het boogveld van de trap werd het Laatste Oordeel verbeeld. Een engel en een duivel proberen de beide 100-jarigen, die in een bed liggen naar hun kant over te halen. Links en rechts van de trap staat een boom met in de kruin een voorstelling van het doopsel en de begrafenis. De Trap des Ouderdoms is één van de meest geliefde thema’s in de volksprenten.

Bepaalde onderwerpen hebben een lange voorgeschiedenis en worden door diverse drukkers telkens hernomen: luilekkerland, spreekwoorden, kinderspelen, verhalen als Jan de Wasscher. De prenten zijn zeer nauw verbonden met het dagelijks leven, met een zeer groot herkenningseffect en zijn een ideale combinatie van woord en beeld voor de gewone mens. Het beeld primeert, de tekst is beperkt.

In de loop van de negentiende eeuw evolueert het mannekensblad meer en meer naar een kinderprent. Kinderprenten over spelen beelden kinderspelen uit of zijn prenten met spelende kinderen. Dekend zijn de harlekijnen, die uitgeknipt kunnen worden, het domino– en kaartspel, het ganzenbord en de zeer succesvolle Driekoningenbriefjes. Op Driekoningendag werd traditiegetrouw een koning aangeduid die voor de gelegenheid een speciale kroon op het hoofd kreeg. De koning kon aangeduid worden door een boon die verstopt zat in de Driekoningenkoek. Maar het kon ook gebeuren door middel van de Driekoningenbriefjes zoals dit in Vlaanderen gebruikelijk was. De oudste getuigenissen van dit spel zouden dateren uit de 16de eeuw. Voor het spel werd de prent verknipt. Elke gast moest de gehele avond de rol vervullen die hem door het lot was toebedeeld. De prent met Driekoningenbriefjes geeft 32 verschillende personnages weer zoals: den Koning, Den Zot, Schenker, Vuerstoker, Zanger, Venus-koppelaer, Blaeskaek, Raesbol, Hoorn-draeger, Hinnen-taster, Allemael-op, Hanne-kont, Muyzen-vanger, Langtong, Moey-al, Gortentelder, Telloor-lekker, Voor-snyder, Niemands-vriend, Allemans-vriend, Rent-meester, Schouw-vaeger, Voerenstaever, Luyzevanger, Altijd-zat, Zelden-zat, Pot-à-fer, Steven klop Steysel, Hannen in de Keef, Mostaert-man, Slyper en Liere-man. De bedoeling van het spel wordt duidelijk in de tekst over de Koning: ‘k ben als Koning hier gezeten / Geenen vriend mag mij vergeten / ‘T eeren als een Mayesteyt / Schoon mijn rijk duert korten tijd.

De moraliserende thema’s, abc prenten, sprookjes en verhalen krijgen de bovenhand. Omdat sommige prenten niet langer voor volwassenen bestemd zijn wordt in bepaalde gevallen censuur toegepast. Door de talrijke veldslagen en oorlogen kent het fonds van de vroege negentiende eeuw een overvloed aan militaire prenten. Toch heeft Brepols op de prenten nooit een politiek of militair standpunt ingenomen. Tot 1916 werd er zelfs geen enkele prent over het Belgisch leger gepubliceerd.

Waar geen leiding was en geen bevruchting van de literatuur, daar viel de volksziel op zichzelf terug en putte uit eigen gemoed, de rijke voorraadschuur van de ervaren tradities.

volgende pagina

Historische Drukkerij Turnhout

MANNEKENSBLADEN / CENTSPRENTEN

Boven: mannekensblad uit de periode voor 1840.

 

Onder: dezelfde afbeeldingen als hierboven, maar dan gebruikt als kaft voor schriften.

Bovenstaande inkleuring, de zogenaamde ‘duimelarij’ was een typisch Nederlandse manier van inkleuren. Het mannekensblad werd ongekleurd aangekocht bij Brepols.

Boven : Mannekensblad gedrukt op eenzijdig gekleurd handgeschept papier van Brepols.

Boven : verhaal van Roodkapje uit het fonds van Van Genechten.

 

Onder : hetzelfde verhaal uit het fonds van Glénisson en zoon, zelfde opbouw, zelfde tekst.

Tekstvak: Member of

Meer weten over de Turnhoutse fabrikanten van mannekensbladen?

 

Brepols

Glénisson & Van Genechten

Wellens, Delhuvenne & Co

Glenisson en zonen

Antoine Van Genechten

Beersmans-Pleek