Een terugblik naar de negentiende eeuw...

vorige pagina

 

Vaak werd met houtblokjes een onderwerp verspreid, dat ook de betere klassen kenden via de kopergravures. Andere onderwerpen werden ontleend aan de succesnummers van concurrerende firma’s in binnen– en buitenland, aan de devotieprentjes, aan de feuilletons, die vaak universeel gekende titels behandelden. Hoofdzakelijk is het een iconografie die steunt op het gezag: Bemint God (Oude en Nieuwe Testament, heiligenlevens, stichtende verhalen) en eert de koning (vorsten, leiders, soldaten. Het Nederlandse vorstenhuis is bij de Turnhoutse producten vertegenwoordigd, het Belgische niet). Wat opvalt is bv. ook dat een aantal prenten worden gewijd aan den ‘wonderbaren’ Napoleon.  Nochtans moet de herinnering aan de ‘gewelddadige’ Napoleon nog intens zijn geweest. Angst en vrees voor zijn naam sloegen na Waterloo vrij spoedig over in bewondering voor zijn daden. Op dit vlak volgde het mannekensblad wat er in de literatuur en de volkskunst gebeurde en deden ook de mannekensbladen mee aan deze legende-schepping. Het soldateske is trouwens een vaste waarde bij de mannekensbladen vermits ondermeer ook Beierse, Russische, Oostenrijkse, Franse en Engelse soldaten vertegenwoordigd waren.

Een ander luik van onze negentiende-eeuwse beeldverhalen wordt gevormd door het eigen leven op de straat, op de markt, bij het ambacht, feesten, kermissen, toneel. De vrouw is nog de huismoeder, die naar het volksgevoel overal elders waar zij mocht worden aangetroffen, niet op haar plaats is. De volkse levenswijsheid uit zich bv. bij de reeds vermelde trappen van Ouderdom en bij andere allegorische voorstellingen. Uitgebeeld werden ook bekende klassieke figuren als bv. De Wandelende Jood.

Het diep ingewortelde respect voor de hiërarchische rangorde, waarin gezag en sociale stand als een goddelijke beschikking werden gezien komt ook tot uiting bij de zgn. Floskaartjes, volksprenten die in 36 plaatjes de hiërarchie uitbeelden vanaf keizer-keizerin afdalende tot dienstknecht-dienstmeid, terwijl het laatste koppel leven en dood voorstelt, waarin allen weer gelijk zijn, de memento mori gedachte, de overwinning van de dood op het leven.

Ook volkeren van andere landen werden voorgesteld en kinderspelen en de nieuwe uitvindingen zoals de ‘ijzeren weg’, zelfs het kaartspel is aanwezig. Tenslotte werd veelvuldig plezierig en zachtaardig gehekeld, zoals bv. in de prenten, genre ‘Verkeerde Wereld’, alsmede de allegorische en satirische prenten zoals de ‘schoonste neuzen van het Land’ en moraliserende en didactische prenten.  Populair waren ook de dierenprenten, de prenten met andere nationaliteiten en klederdrachten. Waar de meestal anonieme kunstenaar zich door liet inspireren dient nog onderzocht. Ook heel wat sprookjes en verhalende prenten zijn aanwezig zoals o.a. Klein Duimpje, Tijl Uilenspiegel, Gulliver, De Gelaarsde Kat enz.

De aanwezigheid van heel wat Nederlandse themata wordt verklaard door de herkomst van sommige delen van de collectie zoals boven vermeld, en in de hand gewerkt door de afzet die de Turnhoutse mannekensbladen in het Noorden hadden. Brepols bv. drukte zijn prenten o.a. voor een vijftal uitgevers in Amsterdam en verder voor uitgevers te Leeuwarden, Sneek, Delft, ‘s-Gravenhage, Amersfoort. Stijfdeftige konterfeitsels van Amsterdamse instellingen als de lommert of de Berg van Barmhartigheid en het weeshuis en tehuis van oude lieden hebben een plaats gekregen in de Turnhoutse prentenreeks. Wel ontstegen zij de lokale betekenis en hebben een algemene zin verworven m.n. toevluchtsoord voor overal aanwezige armoede.

De tweetalige onderschriften onder de plaatjes wijzen dan weer op een verspreiding naar Wallonië en Frankrijk. Stilaan evolueerden de voorstellingen. Minder prenten met verschillende facetten van één thema en meer prenten met één verhaal. Het beeldverhaal deed zijn intrede.

Enkele sociale facetten

Het eenvoudige mannekensblad vormt in de evolutie van de volkscultuur een belangrijk element. In een periode waarin een groot gedeelte van de bevolking ongeletterd was, diende het beeld de volkswijsheid te ondersteunen en te illustreren. Alhoewel het mannekensblad een belangrijk exportartikel was, willen wij hier toch enkele cijfers betreffende het analfabetisme in Turnhout kwijt. Het aantal geletterden in Turnhout bedroeg 51,75 % (1780-1794,  45,75 % (1756-1814),  48,09 % (1815-1829),  61,47 % (1830-1854),  65,95 % (1844-1853,  66,47 % (1854-1863),  65,09 % (1864-1873),  69,62 % (1874-1883),  80,50 % (1884-1891). Bij die brede lagen ‘analfabeten’ van de bevolking nam het mannekensblad aanzienlijk deel aan het verspreiden van de geest. Eens het ‘primum vivere’ gerealiseerd bestond ook bij de volksklasse de nood tot geestverruimende activiteit. Naast de zgn. blauwboekjes, de schoolboekjes, de almanakken, de gebeden– en devotieboeken, het volks– en marktlied speelde het mannekensblad een belangrijke rol in het lectuurvraagstuk van de kleine standen. Meer nog dan de andere genoemde vormen lag het mannekensblad binnen het bereik van de kleinste koopkracht. Het vond zijn weg naar de massa langs de week– en jaarmarkten, de school, de colporteurs, de snoepwinkeltjes, waar met de zondagscenten de prenten aan één cent konden worden aangekocht. Verder diende het als ruilmiddel van de ‘bullen– en beenenman’ en als nieuwjaarsgift. Via deze weg werd iets van het leven des geestes overgebracht aan hen die niet konden lezen of schrijven. Het beeld primeerde en bij de oudste is de tekst beperkt tot de hoogstnoodzakelijke verklaringen. Zelfs later als de tekst in berijmde vorm aan belang gaat winnen blijft hij ondergeschikt aan het beeld. In het beeld heeft de prentsnijder zijn ideeën volledig uitgesproken, de tekst beperkt zich steeds tot het aangeven van de richting waarin de verbeelding dient te gaan. Wij moeten ons ook realiseren dat het blad bestemd was voor volwassenen.

Doorheen de evolutie werd het meer en meer en tenslotte uitsluitend kinderlectuur doch dat was aanvankelijk niet zo. Ook op andere terreinen kwam er evolutie. Onder andere en we zouden dit kunnen typeren als een uiting van het groeiende fatsoen. Op een bepaald blad watert Gulliver een brand uit met de rug naar de toeschouwer en op een ander type doet hij dit van tussen de torens van de kathedraal. Bij latere types daarvoor gebruikt Gulliver daarvoor een gieter. Ook in de tekst veranderde wel iets.

Noman nr. 312

           ‘Maar dames houd uw rokken vast

           Voor dezen onbeschaamden gast’

Werd bij Beersmans nr. 54

           ‘Maar dames toch spoed u wat

           Of gij geraakt nooit in de stad’

De bladen zijn geen individuele expressie maar een uiting van naïef expressionisme van de volksziel.

De concurrentie van het stripverhaal (1917-1930)

Algemeen wordt het jaar 1896 als geboortejaar van het stripverhaal aanvaard. Deze Amerikaanse uitvinding heeft de kinderprent beïnvloed en ze uiteindelijk ook in de concurrentiestrijd doen verdwijnen. Vooral het integreren van tekst en beeld en het sterk verhalende karakter doen het de strip halen op de meer statische prenten. Toch had Brepols na 1917-1918 een aantal nieuwe ontwerpers aangetrokken: Marcel Jaspar, Amedée Lynen, George P. de Laet en John Janssens, die in een zeer vernieuwende stijl en thematiek, en onder duidelijke beïnvloeding van het stripverhaal, een nieuwe elan poogden te geven aan de kinderprent. In tegenstelling tot het oude fonds staat nu ook de naam van de tekenaar/ontwerper op de prent. Omstreeks 1920-1930 wordt een aantal prenten gebundeld in albums waarvoor onder meer Marcel Jaspar speciale kaften ontwerpt. De laatste prent door Brepols uitgegeven dateert van na 1922; het drukken ervan wordt kort na 1930 stopgezet. Ondanks allerlei vernieuwingspogingen in de jaren 30 van deze eeuw, moesten ze uiteindelijk toch het onderspit delven voor een nieuwkomer op de markt, het ‘stripverhaal’. Enkele bedrijven probeerden nog na de Tweede Wereldoorlog de concurrentie aan te gaan met dit nieuwe medium, maar tevergeefs. Het mannekensblad met zijn eeuwenoude traditie was te zeer verouderd om nog attractief te zijn.

Van een substantiële Turnhoutse uitgeversactiviteit van stripverhalen is niet echt sprake. Wat in Turnhout gedrukt werd, was dat meestal in opdracht van een uitgever buiten de stad. Wanneer en door wie het eerste stripverhaal te Turnhout gedrukt werd, is nog niet met zekerheid vastgesteld. Wel geeft Brepols in de jaren dertig onder de naam ‘Collectie voor onze kinderen’ een reeks van minstens drie titels uit waarvan de eerste, de Voorbeeldige Meisjes, naar het Fransch van Gravin de Ségur, geïllustreerd werd door ASHA. Het betreft een album van 32 pagina’s met hoofdstukken van één pagina, wat duidelijk op de traditie van de vroegere kinderprenten teruggaat, hoewel deze verhalen wellicht nooit als losse prent verkocht werden. De geschiedenis van het stripverhaal te Turnhout na de Tweede Wereldoorlog is nog ongekend terrein. Door de installatie van een grootformaat rotatiepers konden de drukorders voor Suske en Wiske in de jaren tachtig door Brepols verwerkt worden: per seconde werden op één rotatiepers vijf exemplaren van 56 pagina’s in kleur afgedrukt. Niettemin is het drukkerij Proost die zich in Turnhout sinds de jaren zeventig en tachtig gespecialiseerd heeft in de productie van het stripverhaal. Na de overname van de drukkerij van de groep Jean Dupuis in 1990 is Proost marktleider op wereldvlak.

Tenslotte

Wij spraken in bovengenoemde uiteenzetting steeds over mannekensbladen of mannekenspapieren en willen toch vertellen dat deze plaatselijke naam dezelfde lading dekt als het elders gebruikte volks– en kinderprent. Technisch werden de eerste mannekensbladen gedrukt op handgeschept papier met houtblokjes en ingekleurd met sjablonen. De evolutie bracht in latere perioden gewoon ordinair papier, de lithografie en de kleurendruk. Met ongeveer 500 verschillende prenten in de negentiende eeuw was Brepols zeker de belangrijkste drukker van mannekensbladen in België. Zijn naaste concurrenten moesten zich met een kleiner assortiment van prenten tevreden stellen, namelijk Beersmans met 110 prenten, Glénisson & Van Genechten met ca. 267 volks– en kinderprenten, Wellens-Delhuvenne & Cie met ca. 94 prenten.

De hoeveelheid geproduceerde mannekensbladen was enorm. Deskundigen raamden de jaarlijkse omzet van de Nederlandse en Belgische uitgeverijen tussen de vijftig en honderd miljoen. Misschien is dit wat te hoog. De verkoop bij Brepols, toch de belangrijkste uitgever op dit vlak in België in de 19de eeuw, haalden in de topjaren 900.000 à 1.000.000 exemplaren. Het leeuwenaandeel van de Belgische produktie was herkomstig uit het ‘Epinal’ van de Nederlanden, zoals Turnhout terecht genoemd mag worden.

 

Met toestemming overgenomen uit ‘Van mannekensblad tot strip’.

Patricia Vansummeren, Harry de Kok, Jan Smet

Historische Drukkerij Turnhout

MANNEKENSBLADEN / CENTSPRENTEN

Meer weten over de Turnhoutse fabrikanten van mannekensbladen?

 

Brepols

Glénisson & Van Genechten

Wellens, Delhuvenne & Co

Glenisson en zonen

Antoine Van Genechten

Beersmans-Pleek

 

Guliver in de oorspronkelijke plassende versie, en de latere versie met gieter.

Jan de Wasscher in aapversie, zeer gebruikelijk voor die tijd. Een latere gekuiste versie waarbij de priester in zijn kansel terug werd weergegeven met menselijk gelaat.

De laatste fase van de mannekensbladen in hoogdruk bij Brepols. De houtblokken waren toen al  vervangen door zinkclichés.

De laatste stuiptrekkingen  van het mannekensblad. Hier werd deze nog gebruikt als reclame voor een Liebig-product.

Mannekensblad nr. 350 uit de lithografische reeks van Brepols, met daarbij de proefdruk van de afbeeldingen en  de proeftekst met correcties

De oorsprong van de grafische nijverheid in Turnhout, nieuw mannekensblad gedrukt op de Stanhope-pers uit 1827, opgebouwd uit nieuw gesneden houtblokken   en waarvan de tekst met de hand in lood werd gezet. Verkrijgbaar in de Historische Drukkerij. Meer informatie vind u hier.

Tekstvak: Member of